Iljah Ewo: “Ik voel me elke dag gelukkig.”

Iljah Ewo (69) bestijgt langzaam de trap van de Diaconie. Ze verontschuldigt zich, het traplopen gaat helaas niet zo snel vanwege haar zere knie. Bij een kop thee ontvouwt zich een gesprek over haar leven.

Ewo groeide op in Suriname. Haar vader stierf jong, waardoor haar moeder alleen voor de negen jongste van zestien kinderen moest zorgen. Sindsdien staat Ewo’s leven in het teken van helpen, in eerste instantie haar moeder en broers en zussen, maar daarna werd die groep steeds groter. ‘Het geeft me voldoening iets voor anderen te kunnen betekenen.’ 

Als tienermeisje had Ewo een bijbaan als hulp in de huishouding. Het geld dat ze daar verdiende, gaf ze aan haar moeder. Haar Japanse werkgeefster zorgde ervoor dat Ewo in 1967 op zestienjarige leeftijd naar Nederland kon gaan. De vrouw hielp haar zelfs aan een kamer. Helaas vloog het huis in brand vanwege kleding die Ewo over de petroleumkachel had gehangen. Ze werd opgevangen bij het Leger des Heils waar ze eten en een slaapplek kreeg. Al snel ging ze mee om soep uit te delen aan dak- en thuislozen en verslaafden. 

 

Hoe was het om als zo’n jong meisje naar de andere kant van de wereld te gaan? 

Ik miste mijn familie natuurlijk. Maar ik wist met welk doel ik in Nederland was. En ik ben hier door zoveel mensen geholpen. Na de brand kon ik uiteindelijk bij een hospita terecht. Ik hielp haar bij het schoonhouden van het trappenhuis, zij deed mijn was. Toen ze erachter kwam dat ik elke dag frietjes at – omdat dat het goedkoopste eten was dat er bestond – zei ze dat ik ook de maaltijd samen met haar en haar zoon mocht gebruiken. Van haar heb ik de aandacht en moederliefde gekregen die ik op dat moment niet kon krijgen van mijn moeder die zo ver weg was. Ik was een gevoelig en voorzichtig Oosters meisje, dus wel anders dan de Hollandse meisjes. Uiteindelijk trouwde ik met de zoon van mijn hospita, dus zo bleef ze een soort moeder voor mij. Ik vind het bijzonder dat ik deze ervaringen heb opgedaan, waardoor ik mezelf kon redden in Nederland, dankzij de hulp die ik kreeg. En al ben ik bijna 70, ik mis nog elke dag mijn moeder, maar ik voel ook dat ze achter me staat en dat ik veel geleerd heb van haar. Nog steeds ben ik een soort tweede moeder voor mijn broers en zussen. Een aantal woont in Suriname, maar ik heb gelukkig ook nog twee zussen vlakbij wonen.  

 

Wat voor werk deed u? 

Eerst deed ik een opleiding tot verpleegkundige en werkte ik in een ziekenhuis. Daar kwam ik veel anderen tegen die vragen hadden over hun verblijfsvergunning. Ik kookte sinds halverwege de jaren ’70 ook al in het weekend voor het inloophuis Blaka Watra van de Regenboog Groep, vlakbij het Centraal Station. De Regenboog Groep werd steeds groter. We hielpen mensen aan een slaapplek, onder andere bij het Stoelenproject. Ook via het Leger des Heils kwam ik veel vluchtelingen tegen die problemen hadden. Zo ben ik bij Bureau Straatjurist betrokken geraakt en ben ik mensen gaan helpen met het oplossen van hun problemen. Door hen bijvoorbeeld te helpen een uitkering aan te vragen. Ik was goed op de hoogte van het blauwe boek, dat is een overzicht van instanties die te maken hebben met hulp aan dak- en thuislozen. Daardoor wist ik altijd goed de weg te vinden als ik mensen onder mijn hoede had die hulp nodig hadden.  

 

Wat is het verschil in de hulpverlening aan dak- en thuislozen toen en nu? 

Tegenwoordig doet de gemeente veel meer voor deze doelgroep. Er werd toen ook heus wel iets gedaan, maar dat waren allemaal losse initiatieven. Nu werken de verschillende instanties beter samen om de dak- en thuislozen te ondersteunen. Het hulpaanbod is uitgebreid, want er zijn nu ook inloophuizen waar mensen een kopje koffie of een maaltijd kunnen krijgen. Dus ik vind dat alles bij elkaar wel een grote verbetering. De doelgroep is ook veranderd. Voorheen waren er veel Europeanen, zoals Duitsers, en Surinamers met een verslavingsproblematiek. Tegenwoordig zijn er meer vluchtelingen en komen ze vaak uit landen buiten Europa.  

 

Wat inspireert u om mensen te helpen? 

Ik denk dat ik goed kan aanvoelen wat andere mensen meemaken, omdat ik zelf ook armoede en eenzaamheid heb gekend. Het is voor mij een kleine moeite om mensen te helpen. Als ik over straat loop en iets leuks zie, dan koop ik dat en deel ik het vervolgens uit. Dat kan aan iemand zijn die ik ken, maar dat hoeft niet. Ik kook ook veel voor anderen, heb ook zelfs een tijdje in het restaurant van mijn zus geholpen. Tegenwoordig kook ik ook voor Hebron in de Spaarndammerbuurt. Het is fijn om daar te zijn. Ik ken daar veel mensen die ik mijn familie noem en soms help ik ze ook, door naar ze te luisteren of advies te geven. Het is fijn dat ik nog zoveel energie heb om anderen te helpen, ik doe het met liefde. Ik voel het als een roeping om dit te blijven doen zolang mijn gezondheid het toelaat. Natuurlijk kan ik de hele wereld niet helpen. Maar het geeft mij voldoening dat ik toch iets heb kunnen doen om anderen te helpen, daardoor voel ik me elke dag gelukkig. Want niemand dwingt mij om dit te doen, ik doe het vanuit mijn hart. En ik help iedereen, zonder onderscheid in kleur of in leeftijd. Volgende week kan ik gelukkig naar de dokter voor mijn knie, hopelijk kan ik daarna weer lekker lopen.  

 

 

Foto: Marloes van Doorn