Joost Röselaers: ‘De kerk mag wel wat zelfbewuster zijn.’

Dat hij predikant zou worden, was nooit de bedoeling. Maar hoe langer hoe meer dringt het besef bij hem door dat hij niets liever wil. De kerk mag van hem wel wat zelfbewuster zijn. Een gesprek over de rol van de kerk in de maatschappij, het cliché van geloof en ongeloof en de hoop dat God bestaat.

Joost Röselaers (1979) is sinds 2009 predikant van Vrijburg, met een onderbreking van vier jaar. Van 2013 tot 2017 was hij predikant van de Nederlandse Kerk in Londen. Vrijburg is een samenwerkingsverband tussen Remonstranten en Vrijzinnig Protestanten in Amsterdam-Zuid. Röselaers heeft er als Remonstrants predikant een aanstelling van drie dagen per week. Daarnaast is hij actief in verschillende besturen en schrijft hij regelmatig artikelen in kranten en tijdschriften. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen van acht en negen jaar.

Protestant bij de Jezuïeten

Dat hij predikant zou worden is, in zijn eigen woorden, ‘nooit echt de bedoeling geweest’. Zijn ouders werkten voor de Verenigde Naties en daardoor groeide hij op in het buitenland. De eerste elf jaar in Zwitserland en daarna zes jaar in West-Afrika, Senegal. Een protestant in een Islamitisch land die op school zat bij de Jezuïeten. ‘Ik ben eigenlijk altijd met geloof bezig geweest. We waren pubers, maar hadden het niet over meisjes en voetballen.

We waren pubers, maar hadden het niet over meisjes en voetballen

We hadden serieuze gesprekken over geloven, vasten, biecht, dat soort dingen. Ik was er trots op dat ik protestant was, dat vormde mijn identiteit. Terwijl mijn ouders wel vroom waren, maar daar niet met anderen over spraken. De vader van een vriendje van mij was theoloog van origine en die zei op een gegeven moment tegen mij: “Je bent altijd zo bezig met religie, waarom ga je geen theologie doen?” Dat idee heb ik nooit meer losgelaten.’

Is dit het nou?

En zo gebeurt het: Röselaers gaat theologie studeren in Leiden. Na vijf jaar slaat de twijfel toe of hij de kerkelijke opleiding wel wil doen. ‘Toen zei iemand tegen me: “Als je het niet doet, ben je net als een basisarts zonder coschappen. Daar kun je niks mee.”’ Tijdens zijn stage in Rotterdam gaat hij het vak van predikant steeds meer waarderen. ‘Het is een heel wezenlijk beroep en erg vrij, dat spreekt mij aan.’

Juist in een tijd van ontkerkelijking vind ik het mooi om predikant te zijn

Juist in een tijd van ontkerkelijking vindt Röselaers het mooi om predikant te zijn. ‘Het is niet vanzelfsprekend om te geloven, dus je moet mensen echt uitdagen. Juist nu zijn de vragen enorm. Hoe kun je mensen, die een beetje aan de rand van het instituut staan erbij betrekken? Dat vind ik interessant. Ik heb lang gedacht dat ik een tijdje predikant zou zijn en dan iets anders. Maar ik vraag mij steeds meer af of ik wel iets anders wil.’

Jezelf uitnodigen

Het hart van het werk van een predikant is volgens Röselaers het pastoraat. ‘Dit is zo’n beetje het enige beroep waarin je jezelf kunt uitnodigen. Ik bel wel eens mensen op met de vraag of ik de volgende dag mag langskomen en dat vinden ze nooit raar. Het wordt zelfs op prijs gesteld.

In coronatijd kwam ik bij een vrouw die zich er echt voor had opgemaakt. Het was voor het eerst in maanden dat er behalve de kinderen weer eens iemand op bezoek kwam. Meestal houd ik zo’n gesprek bij een uur, maar dit liep enorm uit. Maar dit gesprek moest gevoerd worden, want er leefde zoveel aan existentiële vragen, dat wilde ik niet zomaar afkappen.’

Predikant is zo’n beetje het enige beroep waarin je jezelf kunt uitnodigen

Kernmomenten als dopen en uitvaarten en soms trouwen ervaart Röselaers als waardevolle momenten om met mensen aan de rand van de kerk in contact te komen. ‘Ik doop veel. Dat zijn geen mensen die je hier op zondag in de kerk terug zult zien. Toch merk je behoefte aan verbinding met een traditie en het transcendente. Dan hoor je de vraag: is dit het nou?’ Ook tijdens maandelijkse diners pensants in Vrijburg komen deze zingevingsvragen aan de orde.

Maatschappelijk geëngageerd

De politieke interesse van Joost Röselaers is gevoed door zijn jeugd waarin samenlevingsvraagstukken altijd aanwezig waren. ‘Mijn ouders waren heel geëngageerd en ook professioneel bezig de wereld beter te maken. De sfeer waarin ik opgroeide was dus heel maatschappelijk, net zo goed als het evangelie maatschappelijk is. Voor mij als theoloog is het onmogelijk om niet betrokken te zijn bij de maatschappij, dan zou je de kern van het verhaal van Jezus onrecht doen. Het is daarbij voor mij wel een spanning om maatschappelijk te zijn, maar niet politiek.

Voor mij als theoloog is het onmogelijk om niet betrokken te zijn bij de maatschappij, dan zou je de kern van het verhaal van Jezus onrecht doen

Dat is flinterdun. Ik zal bijvoorbeeld nooit zeggen: daar moet je niet op stemmen. Maar we nodigen wel mensen uit de maatschappij, ook politici, uit om een ‘lekenpreek’ te houden of bij een diner te reflecteren. Ik zou graag willen dat we een plek zijn voor maatschappelijke reflectie, maar ik zie de kerk ook als maatschappelijk geweten. Dat is een beetje een oude term die wel waardevol is. We hebben een rol te spelen in het stellen van de diepere vragen. Bij de vluchtelingenproblematiek bijvoorbeeld; daarin móet de kerk haar stem laten horen.’

Existentieel gesprek in gepolariseerde context

Tot zijn eigen verwondering wordt er vanuit de politiek steeds vaker gevraagd naar deze ‘profetische stem’ uit de kerk. Samen met anderen schreef Röselaers een bezinningsbrief over voltooid leven en sprak in dat kader politici van zowel D66 als de ChristenUnie die op dit terrein lijnrecht tegenover elkaar staan. ‘Van beide partijen sprak ik Kamerleden die zeiden: “Ik denk bij dit onderwerp aan mijn vader die ziek is of mijn grootvader die toen echt klaar was met zijn leven en dat wil ik niet.” En dat existentiële, persoonlijke gesprek wordt niet gevoerd. Het is alleen maar debat en scoren, maar de twijfel die eronder zit wordt niet gedeeld.

Hoe kun je voorbij het gepolariseer via het existentiële, spirituele niveau elkaar weer vinden?

Ik zou heel graag willen dat de kerk die ruimte biedt. Hoe kun je voorbij het gepolariseer via het existentiële, spirituele niveau elkaar weer vinden? Ook onder burgers. Toen een paar jaar geleden de vraag of je leven voltooid kan zijn sterk speelde, merkte ik grote onrust onder mensen hier in de kerk. Vragen als: moet ik dan ook maar zo’n pil in huis halen of niet? En: ik wil anderen niet tot last zijn. Wat is mijn leven nog waard? Kost ik niet te veel? De vragen werden wel gesteld, maar er was bijna geen plek om die vragen met elkaar te bespreken.’

Publieke theologie

In het Financieel Dagblad, NRC en op andere plaatsen verschijnen regelmatig artikelen van Joost Röselaers. Ook is hij actief op social media, onder andere op Twitter. In Nederland mag het een vrij zeldzaam verschijnsel zijn dat theologen bijdragen schrijven in seculiere dagbladen, in de Times en Daily Telegraph zijn bijna dagelijks columns en ingezonden brieven te lezen van predikanten. Deze ‘publieke theologie’ nam Röselaers mee uit zijn tijd in Londen. ‘Aartsbisschop Justin Welby, die door zijn functie in het House of Lords zit, leidt een commissie na de commerciële crisis, dat is daar heel normaal.

De grote vraagstukken uit deze tijd zijn toch ook theologisch?

In Nederland zijn we als theologen veel te veel bezig met ons eigen ding. De grote vraagstukken uit deze tijd zijn toch ook theologisch? We hebben daar iets over te zeggen. In het najaar heb ik samen met Kathleen Ferrier een stuk over ons slavernijverleden geschreven. Wij willen een waarheids- en verzoeningscommissie. Dat gaat niet om excuses of financiële compensatie, maar om spirituele vragen: word ik gezien? Mag ik erbij horen? Mag mijn verdriet er zijn? Wie ben ik? Zolang je die vragen niet erkent, blijft het een beetje tegen elkaar aanduwen. Je moet naar een hele andere laag toe om het gesprek te voeren.’

Kerken zijn te bescheiden

De kerk mag volgens Röselaers wel wat zelfbewuster zijn. ‘De kerk in Nederland heeft veel te veel iets van “het is voorbij” en we moeten maar niet teveel schreeuwen. Dat is onzin. We kunnen het onszelf kwalijk nemen dat we geen positie innemen. We hebben traditie, we hebben prachtige gebouwen, we zijn neutraal dus we hebben heel veel in huis, maar toch lukt het niet. De PKN heeft twee miljoen leden, de Katholieken hebben er twee miljoen; we zijn veel groter dan de ANWB en die hoor je wel als het over wegen gaat. Waarom hoor je de kerk niet als het over spirituele vragen gaat?’

Gelovig of ongelovig een cliché

In tegenstelling tot de Nederlandse situatie, kent de kerk in Engeland, waar Röselaers een aantal jaar predikant was, geen leden. Het principe is daar dat elke Brit bij de Church of England hoort en daar aanspraak op kan maken. ‘Toen we daar gingen wonen vroeg ik aan de plaatselijke predikant of ik lid kon worden. Hij keek me raar aan en zei: “Dat hebben we niet.” Ook de Nederlandse kerk in Londen, waar ik predikant was, heeft geen leden. Ik kreeg dus geen ledenlijst en kon bezoeken wie ik wilde. Wie ik ook tegenkwam, die hoorde er bij. De penningmeester zal er misschien niet blij mee zijn, maar ik vond het heel bevrijdend en verruimend.

Het onderscheid tussen gelovig of niet is een cliché waardoor je elkaar niet kunt vinden

Ik vind dat het onderscheid gelovig of niet-gelovig de lading niet dekt. De meeste gelovigen zijn vaak ook niet gelovig en andersom kunnen niet-gelovigen heel gelovig zijn. Dat zijn van die clichés waardoor je elkaar niet kunt vinden en waardoor ieder in zijn bubbel blijft. Wat het geloof kan bieden is ruimte voor reflectie, bezinning én een tegenverhaal laten horen: het kan ook anders. Dat vind ik het mooie aan het Bijbelse verhaal. De opwarming van de aarde is volgens mij hét grote probleem van deze tijd. Je hoort politici zeggen: we hebben nog maar tien jaar. Heel fatalistisch: “We gaan ten onder.” En dat alarmerende is er ook, maar vanuit de Bijbel zou ik toch willen zeggen: het kan anders, er is perspectief. Niet ten onder gaan aan fatalisme of onverschilligheid, maar positief de toekomst tegemoet zien.’

Het leven loslaten

Het meest dankbaar is de predikant van Vrijburg voor de momenten dat hij mensen begeleidde die het leven los moesten laten. ‘Ik heb een aantal mensen gehad die dat in een groot godsgeloof deden. Dat ontroert mij diep en inspireert mij in al mijn geloof en ongeloof.’

In al je geloof en ongeloof? Is een predikant niet per definitie gelovig?

‘Het grootste deel van mijn leven leef ik als ware ik een ongelovige. Het is niet zo dat ik continu een lijntje naar boven heb en ook niet dat ik ervan overtuigd ben dat er een God is. Ik hoop het van harte, want het geeft diepte en perspectief, maar tegelijkertijd weet ik niet wat ik dan eigenlijk hoop. Maar met die vraag wil ik wel de rest van mijn leven blijven stoeien. Ik heb niks met atheïsme. Er zijn ook theologen die zeggen dat er geen god is. Dat vind ik geestelijke luiheid. Hoe weet je dat nou zo zeker? We zijn zo beperkt als mens, daar hebben we geen benul van.

Ook als het allemaal onzin is wil ik toch geloven

Omdat ik het geloof niet in mijn vingers heb is het voor mij zo inspirerend om mee te maken dat mensen op hun sterfbed in vertrouwen het leven loslaten. Ik hoop dat er een andere werkelijkheid is en dat het leven doorgaat, op welke manier dan ook, en dat we geborgen zijn en gezien worden.  Pieter Holtrop, een theoloog waar ik zeer aan gehecht was, zei: “Geloven is jezelf een vlot voorliegen en dan blijkt het nog te drijven ook.”’

En als God er is, hoe ziet dat er dan uit?

‘Het zit op het geestelijk niveau, op de zielslaag. Ik geloof dat de ziel iets onsterfelijks is in ons, iets dat mijn wezen uitmaakt en dat voortleeft in het geheel, in God. Met dat zielsniveau kun je contact hebben via muziek, de natuur en ook de Bijbel. Daar zit ergens God.’

Is God dan alleen in ons of kan hij ook tegenover ons zijn?

‘Kijk, als iemand kanker heeft kan God denk ik niets doen aan die kanker, maar wel aan hoe die persoon daarmee omgaat. En daar kun je voor bidden: “Geef een verlichte geest.” Zo kan die geest je beïnvloeden. Op die laag kan God van betekenis zijn, maar niet als almachtig wezen. Daarom vind ik bidden lastig. Zegenen vind ik wel heel mooi. Dat ontroert mij en degene die ik zegen. Ik zie dat het iets doet. Niet dat mijn handjes nou bovennatuurlijk zijn, maar het feit dat je God ter sprake brengt, dat is helend. Ik ben door en door rationeel, dus voor mij is het een uitdaging om dat te laten gebeuren en het niet te gaan verklaren. Dan maak je het stuk.’

Waar word jij gelukkig van?

‘Ik vind mijn geluk in de omgang met mijn kinderen. De onbevangenheid. Echt met hen zijn, zonder telefoon of computer, dat maakt mij gelukkig. En als mijn vrouw en kinderen naar bed zijn heb ik nog een paar uur alleen. Dan zet ik mijn computer uit, schenk ik een glas wijn in, doe ik muziek aan die ik mooi vind (en die mijn vrouw en kinderen niet om aan te horen vinden) en pak ik een mooi boek. Dat is ook geluk, een hoogtepunt van mijn dag.’

Meer informatie over Vrijburg vind je op hun website. Meer weten over Joost Röselaers? Klik hier om op zijn website te komen.

Vrijburg publiceert dagelijks een korte overdenking in de vorm van een podcast: Vrijzinnige Miniaturen.

Tekst & foto’s: Matthijs Hoogenboom (communicatie PKA)

Andere interviews in deze serie vind je hier.

 

Bekijk hier een video met de eerste kerkdienst in Vrijburg na de lockdown: