Keti Koti en de kerk – Herman Koetsveld

Het is 1 juli. Een paar kilometer verderop in het Oosterpark is er de herdenking van Keti Koti, het breken van de ketenen, de nationale herdenking van ons uiterst pijnlijke slavernijverleden. Er is iets gaande van de grootst mogelijke betekenis: een doorbrekend besef dat wij in ons samenleven met een boog om een belangwekkend gegeven zijn heengelopen: onze stad en ons land heeft een deel van zijn rijkdom te danken aan de slavenhandel van weleer. En de pijn over dat verleden bij de nakomelingen van de tot slaaf gemaakten werd niet opgemerkt. Maar nu beweegt er van alles.

Een kleine dertig jaar geleden woonde ik op Walcheren. Het is eigenlijk nog maar kort geleden – ik was er lang vertrokken – dat ik doorkreeg waarom Middelburg, Veere en Vlissingen zulke rijkdom hebben gekend: de Zeeuwen liepen samen met de Amsterdammers voorop in de slavenhandel. Ik las van een onderzoek hoe Zeeuwse collega’s in die periode in hun preken spraken over de slavernij. Van een van God gegeven orde tot en met de stelling dat je slaven onmogelijk als gelijken van ‘ons’ zou kunnen zien. Zelfs de vraag of we wel met mensen van doen hadden kwam aan de orde, zij het met hier en daar enige aarzeling.

Afgelopen zondag ging onze filmviering ‘Woord van de Wester’ met het thema ‘wijsheid’ met het rechter orgelluik als aangever. Daarop is een 17e eeuwse afbeelding van de ontmoeting van de koningin van Sheba (Jemen of Ethiopië) met koning Salomo van Israël. De roem over de wijsheid van Salomo had haar op reis doen gaan. Het tafereel is geschilderd naar de mode van die ‘gouden eeuw’. De roomwitte koningin (in werkelijkheid moet zij een gekleurde vrouw zijn geweest) heeft een eveneens wit gevolg van mensen die haar geschenken dragen. Maar kijk, daar is één donkere jongen. Met schrik besefte ik dat in onze prachtige kerk dus ook een romantische verbeelding van de slavernij herbergt. De donkere jongen kijkt achterom. Als enige lijkt hij totaal niet betrokken bij de ontmoeting tussen zijn meesteres en de koning op zijn hoge troon. Hij is er wel, maar maakt geen deel uit van het gebeuren. Het grijpt me aan, dit nu zo te zien. Te voelen ook.

Ik vroeg me af, waarom heeft de schilder hem achterom laten kijken? Juist hij? Ik kon niks bedenken en vond er ook niks over. Ik kijk naar Keti Koti in het Oosterpark. In enen besef ik de betekenis – en het interesseert me geen fluit of de schilder dat zo bedoeld heeft: die jongen wil niets weten van al die rijkdom, protocollen en zogenaamde wijsheid. Hij wil, nee hij móet achterom kijken. Dat wat achter hem ligt weegt te zwaar om voluit vooruit te kunnen kijken. En hij nodigt mij nu uit hetzelfde te doen: kijk, dáár kom ik, daar komen wij vandaan. Zullen we dat samen onder ogen gaan zien? Zullen we er bij stilstaan en er niet langer aan voorbij gaan? Er moeten ook ketenen van ontkenning, doofheid en onverschilligheid gebroken worden. De tijd is er rijp voor. Om onze levens, onze geschiedenissen, onze verhalen te gaan delen. Precies wat Typhoon zegt: eerlijk achterom kijken om dan ook samen de toekomst te kunnen omarmen. En hij lacht de liefde.

Deze blog is geschreven door Herman Koetsveld

Deel en like deze blog