Sisters rouwen samen

In een gezin waar een van de kinderen ‘iets bijzonders’ heeft, krijgt niet elk gezinslid evenveel aandacht, zelfs niet als het hele gezin (misschien met uitzondering van het kind in kwestie zelf) daarvan doordrongen is.

De ene zus, de oudste, is het ‘zorgenkind’. Met haar woede-uitbarstingen, eetproblemen, eczeem en heftige zwart/wit-meningen, zuigt ze veel, zo niet alle zorg naar zich toe. Zus twee besluit van de weeromstuit elk eigen sluimerend probleem op voorhand te bagatelliseren: zo erg als bij haar is het niet, ik val er mijn ouders maar niet mee lastig. Ze is vroeg zelfstandig, altijd in control, vertelt ze. Studeert psychologie (wie weet, kan ik haar ooit begrijpen, helpen zelfs). De verhouding met haar zus is niet gelijkwaardig: altijd moet ze háár uit de wind houden, begripvol rotopmerkingen slikken, al is ze de jongste. Waar is die oudere zus die eens voor háár zorgt?

En dan sterft zomaar de vader. Alle gezinsleden schieten in de rol die ze hun hele leven kennen. De jongste vangt als immer haar oudere zus op, wier gemis van haar vader zich uit in heftige misdragingen. Met haar eigen verdriet kan ze nergens heen: thuis is ze de sterke, die geeft en geeft. Om haar zus wat af te leiden gaan ze samen naar de film.

Die melodramatische scene overvalt haar: ineens is daar een onontkoombare huilbui. En een arm. Van haar grote zus. Die kijkt haar verwonderd aan: ‘Goh, jij hebt het ook zwaar hè?’

Die amper merkbare erkenning, het kortstondige gevoel even met haar in hetzelfde schuitje te zitten in plaats van zelf de reddingsboei te moeten zijn. Ze vormen samen de toestemming aan haarzelf om eindelijk ook te rouwen. En alleen zijzelf mag het zeggen: ‘papa’s dood brengt zo dus ook nog iets goeds voort’.

Riekje van Osnabrugge, studentenpastor van de Protestantse Kerk Amsterdam, newconnective.nl

Sluit Menu