“Hallo. Hoe gaat het?”
(mompelt – onverstaanbaar)
“Wil je koffie? Thee?”
Hij kijkt op. “uuuh. Wat?”
“Wil je koffie?”
“Ja, graag.”
Hij zit in een soort nis, volledig uit het zicht voor voorbijgangers. Ik ben verbaasd dat Karla hem zag toen we langsfietsten. Ze heeft een zesde zintuig.
Ik manoeuvreer de bakfiets op het trottoir, terwijl Karla naar de man toe loopt. Van dichtbij is het nog erger dan ik dacht. Het is koud, en hoewel hij een fatsoenlijk jack heeft, zijn handen onbedekt, en de vingers van zijn rechterhand zijn wittig.
T: “Hoe is je hand? Het ziet er pijnlijk uit?”
(Hij mompelt)
T: “Ben je naar de spoedeisende hulp geweest?”
“Nee, het gaat wel.”
“Ik denk dat iemand ernaar moet kijken. Misschien is het ontstoken.”
Inmiddels heb ik een beker koffie ingeschonken en vraag hem of hij melk of suiker wil.
“Ja, graag. Vijf suikers, en melk.”
Ik breng hem zijn koffie. Hij pakt hem voorzichtig aan, alsof hij op een receptie is en hij de gastheren niet wil beledigen. Het contrast tussen zijn beleefdheid en zijn toestand kon niet groter zijn. Het gaat slecht met hem. Het is koud geweest, en het is duidelijk dat hij dag en nacht buiten doorbrengt. Hoe kan iemand in zijn toestand zich nog zo aan sociale conventies houden?
Dat lijkt de norm te zijn. Ik ben nieuw in de wereld van het ontmoeten van daklozen op straat. Het is mijn tweede keer dat ik meega met de Koffiets, om koffie, thee, broodjes, koekjes en soms gedoneerde kleding of winterhandschoenen of mutsen te brengen naar mensen, waar ze op een bepaalde dag ook mogen zijn. Vrijwilligers gaan een paar keer per week op pad, gesponsord door de Protestantse Diaconie van Amsterdam en gulle donateurs. Sinds 1 maart, aan mij de eer om dit project te coördineren.
De beleefdheid van Viktor lijkt de norm te zijn, aldus enkele trouwe vrijwilligers die een paar keer per maand met de fiets op pad gaan. Mensen die buiten slapen waarderen hulp enorm. Het is deels het warm drankje op een koude dag, een broodje om de maag even te vullen. Maar nog meer is het het sociale contact. Gezien worden door iemand die niets terugvraagt. Geen vragen over wat je doet, je achtergrond, je status. Gewoon gedag zeggen en wat eten aanbieden.
“Mag ik een broodje?”
Viktor knapt op terwijl hij zijn koffie drinkt en Karla met hem praat. Hij is niet naar een opvang gegaan, ook al is dat mogelijk tijdens deze koude periode. Het lijkt er niet op dat hij drugs gebruikt – zijn vaagheid komt meer door gebrek aan sociaal contact. Naarmate Karla met hem kletst, is hij steeds beter in staat te reageren.
Hij zegt dat hij naar een medische hulppost zal gaan om zijn hand te laten nakijken. En Karla zegt dat we de volgende keer dat we met de Koffiets komen naar hem zullen uitkijken. Maar hoe dan ook – voor even is hij gezien.




