Vertrouwen – Evert Jan de Wijer

  • Berichtcategorie:Column / Corona

De verleiding om in het Coronavirus zin en betekenis te willen zien, is waarschijnlijk heel menselijk en ligt zeker voor predikanten op de loer. Gelukkig ervaren nog maar weinigen deze crisis als een teken Gods. Toch ziet deze beroepsgroep naar mijn smaak net iets te gretig een verband met de Veertigdagentijd en de hoop op een herbezinning rondom mens en milieu. Dat hebben wij trouwens gemeen met geheel seculiere trendwatchers als Lidewij Edelkoort die ook graag het virus dankbaar is als ‘ontnuchterende kracht die onze honger als consument en onze jetsettende gewoonten zal temperen’. Het kan verkeren. Het virus als ‘zegen’, als ‘amazing grace voor de planeet’, als iets waar zij ‘vreemd genoeg, eigenlijk naar uitkijkt’.

Wat zijn we als mensen toch onverbeterlijke zinzoekers. Onophoudelijk willen wij er de vinger op leggen. Het begrijpen, het bezweren en het opbergen in een systeem om het te snappen. Desnoods heet het God, lot of een anderszins in de sterren geschreven wake upcall aan de mensheid. Dan is het zo groot geworden dat je toch weer een beetje rustiger kan gaan slapen.

Zowel werkelijk ontnuchterend als verontrustend zijn de Schriften die van God spreken. Onze werkelijkheid spreekt van niets in het bijzonder. Dat zijn de dingen die gebeuren. Daarin worden wij wakker, als in een boze droom waaruit je maar niet ontwaken kan en zoals de lege stad ons dezer dagen ook een beetje toeschijnt. Ze hebben geen betekenis en volgens mij wil God ons er niets mee zeggen. Het is wat ons vandaag geheel en al beheerst. Maar eerlijk is eerlijk, morgen zal dat weer wat anders zijn. Al duurt die morgen wel wat langer dan we dachten. Het is, bijbels gesproken, de hongersnood die Betlehem treft, de toren van Siloam die in Jeruzalem onschuldige of minstens net zo schuldige burgers treft. Of de plotselinge gewelddaad van Pilatus of een andere antieke Assad. Het is willekeur, grilligheid en er was geen enkele reden voor. Het Coronavirus straft geen hoogmoed en had geen plotselinge trek om wat mensenkinderen tot zich te nemen.

Waar het werkelijk op aankomt, is wat wij mensen doen in al deze toevalligheid. In de grilligheid van de dingen houden God en zijn engelen steeds hun adem in en kijken nieuwsgierig naar hun mens. Zullen zij elkaar trouw blijven? Zullen ze iets zeggen als: ‘waar jij gaat, ga ik. Jouw land is mijn land en jouw God, vooruit, is mijn God?’ Zullen zij zich niet laten kisten door de omstandigheden maar zullen zij vindingrijk, vertrouwensvol blijken? Zullen zij vreemde dingen doen? Muziek maken op het balkon? Elkaar toezingen? Lieve briefjes in de bus doen? Applaudisseren in de nacht? Elkaar bestoken met grap na grap over WC-papier en hamstertolken? Zullen zij zozeer de voorkeur geven aan het vertrouwen dat uiteindelijk de werkelijkheid in al haar willekeur, er niet van terug heeft? Als de tekenen mij niet bedriegen, zijn wij dat zeer aan het doen. En dat schept vertrouwen in de toekomst. Dat wordt ook wel geloof genoemd.

 

Deze bijdrage is van Evert Jan de Wijer, predikant van de Thomaskerk