Gesels – Martijn van Leerdam

  • Berichtcategorie:Column / Corona

‘Onze medeburgers waren niet anders dan alle andere mensen. Zij dachten aan zichzelf, met andere woorden, zij geloofden aan de vooruitgang en dachten niet aan zulke dingen als gesels. Deze zijn te overweldigend in verhouding tot de mens, daarom beschouwt men ze als iets onwezenlijks, als nachtmerries die weer vergaan. Maar niet zij vergaan, doch de mensen, vooral die vertrouwd hebben op de vooruitgang, de humanitaristen, omdat zij geen voorzorgsmaatregelen hebben getroffen. (…) Zij gingen verder met zaken doen, reizen voorbereiden en meningen verkondigen. Hoe hadden zij kunnen denken aan de pest, die een einde maakt aan de toekomst, aan alle reizen en discussies? Zij verbeeldden zich vrij te zijn en niemand zal ooit vrij zijn, zolang er gesels bestaan.’

Aldus Albert Camus in 1947, in zijn beroemde roman De Pest. Is het niet verbijsterend hoe deze beschrijving van toepassing is op de wereld van vandaag?

De Pest gaat over een fictieve stad aan de Middellandse Zee, waar –inderdaad– de pest uitbreekt. De verschrikkelijke ziekte heerst bijna een jaar lang in de stad, eist duizenden slachtoffers, en zorgt ervoor dat de geest van de stad wordt geknakt.

Besmettelijke ziektes zijn van alle tijden, en altijd zoeken mensen naar een verklaring. Waarom gebeurt dit, en waarom juist nu? In De Pest figureert een pater, die verkondigt dat de pest van God afkomstig is om het volk te zuiveren. Later in het boek komt hij tot inkeer, wanneer hij getuige is van de gruwelijke dood van een kind. Hoe kan een goede God daar ooit verantwoordelijk voor zijn?

Ook in de bijbel worden die vragen gesteld. In de ene tekst wordt God zelf verantwoordelijk gesteld voor de grootste natuurrampen (bijvoorbeeld de plagen die Egypte treffen, in het bijbelboek Exodus). In de andere tekst belooft God juist dat Hij dat nooit meer zal doen (bijvoorbeeld na de zondvloed, als Noach met zijn Ark het leven heeft gered). Ook Jezus laat zich er cryptisch over uit (bijvoorbeeld in Lucas 13, als zijn tegenstanders hem proberen vast te zetten in een debat).

Hoe zit het dan met de besmettelijke ziekte van onze tijd, COVID-19? De hoofdpersonen uit het boek van Camus kennen maar één oplossing, en dat is werken tot het eind. Strijden tegen de gesel, die de mensen treft. Begrijpen kun je het allemaal niet, maar je kunt wel iets doen.

Eén van beiden is arts. Hij bestrijdt de epidemie met medische middelen, ook al groeit het hem nog zo boven het hoofd. De ander spant zich als vrijwilliger in voor het vervoer van besmette patiënten, en de organisatie van uitvaarten, die aan de lopende band plaatsvinden. Het voelt dan wel hopeloos, en zelf loop je ook een risico. Maar in elk geval zit je niet stil, en doe je wat je kan.

Uiteindelijk is dit het enige dat het leven werkelijk zinvol maakt, voor deze twee: doen wat je kan, zelfs al sta je tegenover een overmacht. Dat kunnen wij natuurlijk ook. Met dien verstande dat COVID-19 bij ons nog heel wat beter onder controle is dan de pest in de fictieve stad van Camus.

Elke tijd kent zijn eigen gesels, en die van ons zijn ook niet mals. Maar al met al kunnen wij nog heel wat voor elkaar doen.

 

Deze tekst is geschreven door Martijn van Leerdam, predikant Osdorp-Sloten.